De laatste stelling van Fermat heeft na meer dan drie eeuwen eindelijk een bewijs. In 1993 zag het er al eens naar uit dat het bekendste onopgeloste vraagstuk uit de wiskunde overwonnen was, maar het "bewijs" dat de Britse wiskundige Andrew Wiles toen voorstelde, bleek achteraf een fout te bevatten. In 1996 keerde Wiles terug voor een tweede poging, en zijn nieuwe bewijs ziet er onberispelijk uit, vinden collega-wiskundigen.
Experts vonden Wiles' eerste bewijs aanvankelijk ook veelbelovend, maar enkele maanden later, toen ze het grondig bestudeerd hadden, kwam er een fout in het bewijs aan het licht. Inmiddels hebben de wiskundigen enkele jaren de tijd gehad om het tweede, verbeterde bewijs onder de loep te nemen. En elke wiskundige is het erover eens: dit bewijs klopt!
In tegenstelling tot het bewijs, dat gebruik maakt van zeer ingewikkelde wiskundige ideeën, is de stelling zelf gemakkelijk te begrijpen. We kennen allemaal de stelling van Pythagoras: het kwadraat van de lengte van de schuine zijde van een rechthoekige driehoek is gelijk aan de som van de kwadraten van de rechthoekszijden. In formulevorm: x²+ y² = z². Allerlei trio's van getallen a, b en c voldoen aan deze formule, bijvoorbeeld 3, 4 en 5. Reken maar na: 3² + 4² = 5² . Dit trio is interessant omdat 3, 4 en 5 alle drie gehele getallen zijn. Dit drietal getallen heet een Pythagorisch drietal. Trio's met niet gehele getallen zijn gemakkelijk te vinden, bijvoorbeeld 1, 2 en de vierkantswortel van 5 (2,2360 ... ) - ook met nullen gaat het vlot: 17² + 0² = 17². Maar het is veel leuker om oplossingen te zoeken zonder nullen, met alleen maar gehele getallen. Dat zou je ook kunnen proberen met derde machten in plaats van met kwadraten: zoek gehele getallen a, b en c die voldoen aan a³ + b³ = c³. Of met vierde machten, of in het algemeen met n-de machten: an + bn = cn. Je kan het proberen, maar het zal je niet lukken, beweerde Pierre de Fermat in de jaren dertig van de zeventiende eeuw.
De laatste stelling van Fermat luidt dan ook: "Je kan geen positieve gehele getallen a, b en c vinden, zo dat an + bn = cn, als n groter is dan 2, (en je de triviale oplossingen uitsluit als bijvoorbeeld 0n + 1 n = 1 n)".
Fermat, een Frans jurist en wiskundige, schreef die bewering in de marge van een boek van de Griekse wiskundigeDiophantus. En hij voegde eraan toe: "Ik heb een werkelijk prachtig bewijs gevonden van deze stelling, maar deze marge is te smal om het op te schrijven." Fermats kantlijnaantekeningen werden na zijn dood in 1665 ontdekt, maar zijn "prachtige bewijs" was nergens te vinden. Het werd al gauw een onweerstaanbare uitdaging voor wiskundigen. Vele grote wiskundigen, en ontelbare amateur-wiskundigen, beten er hun tanden op stuk. Het vermoeden van Fermat zag er zeer aannemelijk uit, zoals iedereen zal beamen die een poosje vruchteloos naar getallen heeft gezocht die aan de formule voldoen. Maar niemand kon het bewijzen, Fermats "Laatste stelling" , het laatste nog onopgeloste van de vraagstukken die hij naliet, werd snel legendarisch. De onderzoekers boekten veel in zekere zin vooruitgang: ze toonden aan dat de stelling juist is voor welbepaalde waarden van de exponent n. Fermat zelf bewees de stelling al voor n = 4. Leonhard Euler vond een bewijs voor n = 3. Peter Gustav Lejeune Dirichlet toonde in 1825 aan dat de stelling klopt voor n = 5 en Henri-Laon Lebesgue liet het zien voor 7. Ernst Kummer sloeg een grote slag: de stelling bleek zeker juist voor alle exponenten kleiner dan honderd, uitgezonderd misschien voor 37, 59 en 67. Andere wiskundigen veroverden het gebied tot aan 150.000 en later tot vier miljoen. Het bleef daarmee natuurlijk heel goed mogelijk dat er ergens een triootje getallen bestond waarvoor bijvoorbeeld a5000000 + b5000000 = c5000000 gold. Als er één zo'n voorbeeld gevonden werd, was aangetoond dat Fermat ongelijk had. Maar uitgebreide zoektochten, ook met krachtige computers, leverden niets op. Het leek er in elk geval sterk op dat Fermat gelijk had.
Geleidelijk begon er een volledig bewijs in zicht te komen. Wiskundigen legden steeds meer verbanden tussen de getalteorie, waarin Fermats stelling thuishoort, en andere takken van de wiskunde en daaruit kwamen nieuwe inzichten voort. In 1986 bewees Kenneth Ribet dat het vermoeden van Fermat volgde uit de "Shimura-Taniyama-Weil konjektuur", een onbewezen stelling over zogeheten elliptische krommen. Dat trok de aandacht van Andrew Wiles, een wiskundige aan de universiteit van Princeton die als tiener al geprobeerd had Fermats stelling te bewijzen. Wiles zette zich aan het werk om de Shimura-Taniyama-Weil konjektuur te bewijzen, waarmee dan meteen ook Fermats laatste stelling bewezen zou zijn. Zeven jaar besteedde hij al zijn tijd eraan.
In juni 1993 presenteerde Wiles het resultaat van zijn inspanningen, op een congres aan de universiteit van Cambridge. Zijn lezing had de onschuldig klinkende titel "Modular Forms, elliptic curves and galois representations", maar ingewijden vermoedden dat het over Fermat zou gaan.
Toen aan het licht kwam dat zijn bewijs niet klopte, ging Wiles meteen aan de slag om een verbeterde versie te zoeken. Hij kreeg hulp van Richard Taylor van de universiteit van Cambridge, om de onvolkomendheden in zijn bewijs op te vullen. Ze hadden blijkbaar succes, want experts over heel de wereld zijn enthousiast over hun werk.
Wiles heeft de Shimura-Taniyama-Weil konjektuur gedeeltelijk bewezen, en de stelling van Fermat volgt uit het bewezen stuk, voor alle waarden van de exponent n vanaf vijf. Aangezien de stelling al lang bewezen was voor drie en vier, hebben we nu een volledig bewijs.
En Fermats "prachtige bewijs"? Wiles gelooft er niet in, en de meeste andere specialisten evenmin. De wiskundige technieken die in de zeventiende eeuw voor handen waren, kunnen nooit voldoende zijn geweest voor een bewijs. Fermat moet zich dus vergist hebben toen hij schreef dat hij zijn vermoeden kon bewijzen. Maar hij heeft de wiskundigen wel drie eeuwen plezier bezorgd.
Hieronder staat het bewijs staan voor n = 4, die Fermat zelf ook heeft bewezen. Het geval voor n = 3 is ook niet echt moeilijk te bewijzen, maar aangezien het een stuk ingewikkelder is dan het geval voor n = 4 laat ik het hier achterwege. Voor het geval n = 5 en n = 7 is het bewijs al een stuk moeilijker en niet te begrijpen met alleen de Wiskunde B van het middelbaar onderwijs.
Het geval n = 6 is natuurlijk ook bewezen als het geval n = 3 bewezen is.