1994
Het antwoord is a. de weegschaal 1 kilo aanwijst.
Het antwoord is c. Meer dan 3120.
1995

Het goede antwoord is c.

Dit is volgens een eenvoudige berekening te bewijzen:
C = 5/9 * (F - 32)
C = 5/9 * (-40 - 32)
C = 5/9 * (-72)
C = 5 * -8
C = -40

Het goede antwoord is b.

Zo'n 1300 tot 1500 jaar geleden werd in Zuid- of Centraal-India (bronnen verschillen daarover van mening) het getal nul geïntroduceerd. In de tiende eeuw werd het algemeen gebruikt in Arabië, door kooplieden. Rond de veertiende eeuw werden de Romeinse cijfers die in Europa werden gebruikt steeds meer vervangen door de Arabische cijfers. Zo maakte de nul ook zijn opgang in Europa. Belangrijk bij de Acceptatie van de nul was de centrale rol die de balans in de boekhouding speelde.

Je nummert de zakken van 1 t/m 9. Uit zak 1 haal je één munt, uit zak 2 haal je twee munten tot en met negen munten uit zak 9. Je weegt al deze munten tegelijkertijd. Waren dit allemaal echte munten, dan zou je op een gewicht van 450 gram moeten uitkomen. Is zak 1 nu de zak met valse munten, dan kom je uit op 449 gram, bij zak 2 op 448 gram, tot en met 441 gram als zak 9 de valse munten bevat.

Het goede antwoord is c.

Een mooie rekensom:
Als je uit zes kandidaten begint met het trekken van de eerste prijs, dan is het berekenen van de kans op de eerste prijs simpel: 1 op de 6, dus 1/6. Begin je met de derde prijs dan gaat de berekening als volgt: de kans op niet de derde prijs bij zes mensen is 5/6; de kans op niet de tweede prijs is 4/5 (er zijn nog vijf mensen over; de kans op de eerste prijs is dan 1/4 geworden. De totale kans is dus: 5/6 x 4/5 x 1/4 = 20/120 = 1/6.

1996

C is het goede antwoord.

Van een gezin met vier kinderen kan de kinderschare op zestien manieren samengesteld zijn (0 = meisje, 1 = jongen):

1 1 1 1
1 1 1 0
1 1 0 1
1 1 0 0 *
1 0 1 1
1 0 1 0 *
1 0 0 1 *
1 0 0 0
0 1 1 1
0 1 1 0 *
0 1 0 1 *
0 1 0 0
0 0 1 1 *
0 0 1 0
0 0 0 1
0 0 0 0

Bij zes van de zestien mogelijkheden (*) is sprake van twee jongens en twee meisjes: 6/16 = 3/8.

C is het goede antwoord.

Als de boeken in volgorde in de kast staan, dus in volgnummer oplopend van links naar rechts, bevindt de voorkant van elk deel zich voor iemand die voor de boekenkast staat altijd rechts en de achterkant links. Als de worm begint te knagen bij de voorkant van deel I bevindt hij zich tussen de voorkant van deel I en de achterkant van deel II. Als hij stopt bij de achterkant van deel III, moet hij daar nog aan beginnen. Uiteindelijk heeft hij dus niets meer gegeten dan het binnenwerk (8 cm) en de kaften (2 cm) van deel II (= 10 cm).

Het goede antwoord is c.

We kijken naar twee gezinnen, één met 1 kind, en één met 9 kinderen. We ondervragen alle 10 de kinderen. Eén kind zal rapporteren dat er maar één kind is, en negen kinderen zullen rapporteren dat er (acht plus één - hem/haarzelf - is:) negen kinderen zijn. Dit levert gemiddeld 8,2 kinderen per gezin op, terwijl het er in werkelijkheid maar vijf zijn. Het probleem is dat gezinnen met meer kinderen vaker worden geteld. Ook gezinnen met kinderen die niet naar school gaan vallen buiten de telling. Wanneer het CBS zoiets zou doen, worden er formules gebruikt om hiervoor te corrigeren!

Het juiste antwoord is b.

Het aantal plakken doet er niet toe. Wat er wel toe doet is dat de plakken even dik zijn. Bij een bol is de formule voor de oppervlakte van de korst van een plak gelijk aan 2 pi maal de straal van de bol maal de dikte van de plak. Ofwel 2 pi * r * h.
Of het nou een kapje is of gewoon een plak, het maakt niets uit; het buitenoppervlak is precies gelijk.

1997

Een gokje kan best want de winstverwachting gaat er op vooruit.

De essentie van gokken is dat je een winstverwachting hebt die positief uitvalt. Als je niet gokt, krijg je zeker 1000 gulden - die kans is gelijk aan 1. De winstverwachting is dan statistisch: 1*1000 = 1000 gulden, gelijk aan het geld dat je al hebt. Daar schiet je niets mee op.Als je wel gokt, is de winstverwachting (1/2 * 2000) + (1/2 * 500) = 1250. Dat is dus 250 gulden meer dan de 1000 gulden die je al hebt. Kortom, de winstverwachting stijgt door te gokken.

1998

Het goede antwoord is a

Om op deze vraag het juiste antwoord te vinden kun je het beste beginnen bij antwoord c: als antwoord c correct is, dan is antwoord b ook correct. Maar er is slechts één correct antwoord, dus c is niet goed. Als b goed is, dan is a ook goed. Maar er is slechts één correct antwoord. Dus b is ook fout. Dan kan alleen antwoord a goed zijn.

Het juiste antwoord is a.

Het antwoord gaat geheel tegen de intuïtie in, maar het is gewoon een kwestie van rekenen. Als 200 kilo komkommers voor 99 procent uit water bestaan, betekent dat dat er 2 kilo ?droge? massa of ?droge? stof is. Die droge massa verdampt niet. Dus aan het eind van de dag is er nog steeds 2 kilo droge massa. Maar de komkommers bestaan nu nog maar voor 98 procent uit water. De resterende 2 procent zijn de 2 kilo droge massa. Dus 2 kilo is 2 procent. 100 procent is dan gelijk aan 100 kilo. Er is dus 100 kilo aan komkommers over. Antwoord a

1999

Het goede antwoord is B.

De vriendinnen plegen minimaal acht telefoontjes. Daarvoor is het nodig aan te tonen dat het ten eerste in acht gesprekken kan en ten tweede dat het met minder gesprekken niet lukt.

Hoe verbreiden de zes roddels zich? Welnu, A belt B, B belt C, C belt D, E belt F, E belt D, F belt C, C belt B en tot slot belt B weer naar A. Er zijn nog andere manieren om het in acht keer te doen maar kan het ook in zeven keer?

Zolang er nog één vriendin is die nog niet getelefoneerd heeft, zijn er nog minstens vijf gesprekken nodig om de informatie van die persoon te verspreiden onder de overigen. Immers, per gesprek neemt het aantal mensen dat die roddel kent, met hoogstens één toe.

Als er na drie gesprekken nog iemand is die nog niet gebeld heeft, zijn er nog minstens 3+5=8 gesprekken nodig. Om met minder gesprekken toe te komen moet na drie gesprekken iedereen al één keer gebeld hebben. Dat kan alleen als volgt: A belt B, C belt D, E belt F. Vervolgens kan A naar C bellen. Of D kan F bellen. Hoe dan ook, na vier keer bellen blijven er altijd twee personen over waarvan de roddels nog niet verspreid zijn. Omdat per gesprek het aantal personen dat over deze informatie beschikt met niet meer dan met één kan toenemen zijn er nog zeker vier gesprekken nodig om de informatie van die twee te verspreiden. In totaal zijn er daarom zeker 4+4 gesprekken nodig.

Antwoord B is juist.

De inhoud is gelijk aan de oppervlakte van de doorsnede van de koker maal de lengte. De lengte is bij de vierkante koker gelijk aan die van de ronde koker. Van belang is de vraag of het oppervlak van de cirkeldoorsnede groter is dan dat van de vierkante doorsnede.

l is de lengte van alle zijden van het vierkante papier. Voor de doorsnede van de ronde koker geldt: l = 2.p r (p=pi, r = straal).

De straal is dus: r = l /( 2 p). Het oppervlak van de doorsnede is dan: p r2 = p(l2/4.p2) = l2/4.p = l2 / 12,56.

Het volume van de ronde koker is dus: l3/12,56.

l is opnieuw alle zijden van het vierkante papier. De lengte van een zijde van de doorsnede van de vierkante koker is dan l/ 4. Oppervlakte van de doorsnede is (l/4)2 = l2/16. Het volume van de vierkante koker is dan l3/16 en dat is kleiner dan het volume van de ronde koker.

2000

Het goede antwoord is b.

Het leuke van statistiek is dat je soms sneller iets berekent via een omweg. Stel jezelf dus de omgekeerde vraag: Hoe groot is de kans dat iedereen op een andere dag verjaart? Als een jaar 365 dagen heeft, kan de eerste persoon op iedere willekeurige dag jarig zijn. De tweede persoon verjaart op een andere dag dan de eerste. Die kans is 364/365 (= 0,997). De derde is op weer een andere dag jarig dan de eerste twee (363/365). Zo daalt de kans dat geen tweede persoon op dezelfde dag jarig is: 364/365 (2e) * 363/365 (3e) * 362/365 (4e) *...... 338/365 (26e). De kans dat de 26e persoon niet op dezelfde dag verjaart als een van de 25 andere personen is 0,40. Dan is de omgekeerde kans dat er minstens twee personen op dezelfde dag jarig zijn aan 1 - 0,40 = 0,60, dus 60 procent.

Antwoord b.

Bij biljarten (zonder effect) gaat het om de hoek van inval, die gelijk is aan de hoek die de terugkaatsende bal maakt: de hoek van uitval. Dat maakt het mogelijk om een trucje uit te halen. Een professioneel biljarter doet dat door in gedachten het biljartveld uit te vouwen. Hij hoeft dan alleen maar virtueel rechtdoor te stoten. Want elke keer dat de bal een lijn snijdt, raak je een band. Op die manier kun je snel inzicht krijgen in de oplossing van de vraag. Spiegel je een aantal velden, dan kom je snel tot het inzicht dat je met een stoot van drie meter op zijn hoogst vijf lijnen kunt snijden en dus vijf banden kunt raken. Je doorloopt dan twee keer de diagonaal van een half veld. De lengte van die diagonaal is volgens Pythagoras de wortel uit 12 + 12 = 2, is wortel 2. Twee diagonalen hebben een lengte van 2 x wortel 2 = 2,83. Zo houd je 17 centimeter over om twee maal kort de hoeken te raken. Dat kan net.

2001

Antwoord C is juist.

De vraag is makkelijker te beredeneren als je in plaats van een lepeltje een kwart van de witte wijn in het glas rode wijn doet.
Stel je hebt 100 ml in beide glazen. Je gooit 25 ml rode bij de witte wijn. Dat wordt in totaal 125 ml. De verhouding is dan 4/5de wit (=100 ml) en 1/5de (=25 ml) rood. Nou gooi je van dat mengsel dezelfde hoeveelheid, dus weer 25 ml terug. Er blijft dus 100 ml in het 'witte' glas achter. De verhouding van het mengsel verandert natuurlijk niet, dat blijft 4/5de wit en 1/5de rood. In het 'witte' glas blijft dus 80 ml wit en 20 ml (= 100 ml) rood achter.
De 25 ml die je teruggooit, is ook een mengsel van 4/5de wit en 1/5de rood, dus 20 ml wit en 5 ml rood.
Er zat al 75 ml rood in het glas, daar komt nu weer 5 ml rood bij. Samen is dat 80 ml rode wijn. Verder komt er nu 20 ml wit bij. Dat is samen weer 100 ml. De glazen zijn nu weer even vol en de mengverhouding is dus in beide glazen gelijk.
Deze berekening gaat natuurlijk ook op als je maar één lepeltje van het ene in het andere glas doet, roert en dan weer een lepeltje terugdoet.

Wiskundig beschouwd ziet de redenering er als volgt uit:
d een getal tussen 0 en 1.
Je haalt een d-de deel rood weg. In het 'rode' glas blijft dus over: 1-d.
Je doet de rode wijn bij de witte. In het 'witte' glas zit dan d+1.
Dan is de verhouding in het 'witte' glas: d/d+1 rood tegen 1/d+1 wit.
Nu brengen we weer een d-de deel terug naar het 'rode' glas.
Dat deel bestaat dan uit (d/d+1)*d = d2(d+1) rood en (1/d+1)*d = d/d+1 wit.
Dan krijg je:
In het 'rode' glas:
(1-d)+(d2/d+1) = 1/d+1 rood
d/d+1 wit

In het 'witte' glas:
d-(d2/d+1) = d/d+1 rood
1-(d/d+1) = 1/d+1 wit

De uiteindelijke mengverhouding wordt dus 1/(d+1) : d/(d+1), zowel voor het 'rode' glas als voor het 'witte' glas. De mengverhouding is dus in beide glazen gelijk.

Je kunt ook een logische verklaring geven. In het gedeelte dat je terugschept zit een gedeelte rode en een gedeelte witte wijn. De hoeveelheid witte wijn die je terugschept is noodzakelijkerwijs precies even groot als de hoeveelheid rode wijn die achterblijft.

Antwoord B is juist.

De omtrek van een cirkel is altijd 2piR (2 pi maal de straal). Het stukje straal dat je mist moet dus gelijk zijn aan 1 meter gedeeld door 2 pi: 100/6,28 = R = 15,92 cm (afgerond). Om de kabel rond de maan te kunnen spannen moet de straal dus 15,92 cm minder zijn en dat is de diepte van de geul die gegraven moet worden.

2002

Antwoord A is juist.

Antwoord a is juist. Denken aan bakstenen is een populaire truc van mannen om tijdens het vrijen het orgasme uit te stellen. Het vermindert de genitale respons, maar zolang daarbij seksuele prikkels worden waargenomen - het vrijen wordt gecontinueerd ? blijft de subjectieve opwinding intact.
Is dit ook wetenschappelijk te onderbouwen?
In een experiment aan de Universiteit Maastricht kregen mannelijk proefpersonen een seksfilm (echte porno) te zien terwijl ze verschillende rekenopdrachten moesten oplossen. Tegelijk werd hun opwinding gemeten door elektrofysiologisch de omvang van de penis te meten en werd hen gevraagd aan te geven in welke mate ze zich opgewonden voelden tijdens deze opdracht. De uitkomst? De rekenkundige afleiding verminderde duidelijk de genitale respons. Het lichaam kan blijkbaar slecht tegelijk rekenen en de fysieke opwinding in stand houden. Waarschijnlijk net zoals uit een ander onderzoek is gebleken dat het lastig is om al sommen oplossend over een evenwichtsbalk te lopen. De afleiding van het rekenen deed echter nauwelijks tot geen afbreuk aan de subjectieve respons, het gevoel van opwinding bleef.
Dat gold in ieder geval ten aanzien van mannen. Het onderzoek werd later herhaald met vrouwen waar elektrofysiologisch de doorbloeding van de vagina werd gemeten. De resultaten waren hetzelfde als bij de mannen: hoe meer rekenkundige afleiding, des te minder genitale doorbloeding. De afleiding had geen effect op subjectieve opwinding; net als bij de mannen bleef deze gelijk.

Antwoord A is juist.

De overlap van de stadsplattegrond is hier niet van belang, want als de straat op de ene kaart aan de rand ligt zal hij op de andere kaart ook bij de rand liggen. Dat is ook geen toeval omdat de rand al snel een groot deel van het oppervlak van de kaart inneemt.
Als we onder het midden van de kaart ook precies het midden verstaan, is de kans dat daar onze gezochte straat ligt wel erg klein. Als je aanneemt dat de rand begint halverwege het midden en de hoek, en je de zo verkregen vier punten met elkaar verbindt, blijkt het middengebied maar 25% van het totale oppervlak van de kaart uit te maken. De rand vormt dus 75%. Maar zelfs een randgebied dat halverwege het midden en de rand begint is nog erg ruim. Als je uitgaat van een veel smallere rand van 2,16905 cm, beslaat de rand al 50% van het totale oppervlak van de kaart. De kans dat je ergens aan de rand terecht komt is dus vrij groot en veel minder toevallig dan je zou denken.

Antwoord B is juist.

Plato wist al dat er slechts één ruimtelijke figuur is waarbij alle punten even ver van elkaar vandaan liggen: de tetraëder (zie figuur). Om het te visualiseren kun je ook uitgaan van een tweedimensionale voorstelling, een plat vlak. Er is maar één puntenconfiguratie mogelijk waarbij alle punten even ver van elkaar liggen. Dat zijn de punten van een gelijkzijdige driehoek. Nu heeft een bol drie dimensies, dus voegen we er een vierde punt in de ruimte aan toe. Zo ontstaat er een figuur met vier gelijkzijdige driehoeken met vier hoekpunten, vier vlakken en zes ribben.
De tetraëder. Zouden we er nog een vijfde punt aan toevoegen dan ontstaat er bijvoorbeeld een dubbele tetraëder, een octaëder. Maar dan liggen punt vier en vijf veel verder van elkaar dan de andere punten. Daarmee voldoet die figuur niet meer aan onze eis. Meer dan vier punten lukt niet.

2003

B, twee banden. Maak als beginstrook een papieren Spaanse vlag, dus stroken met de lange zijden aan elkaar in de volgorde rood, geel, geel, rood. Maak nu van de vlag een Möbiusband. Deze Möbiusband bestaat uit een dikke gele baan en één dunne rode baan. Het lijkt alsof er twee rode banen zijn, maar dat is niet zo. Dat komt doordat we bij het maken van de Möbiusband de onderste rode strook van de vlag aan de bovenste vastplakken. De gele baan is twee stroken breed en zelf ook weer een Möbiusband. De eerste knip scheedt de beide gele stroken in de lengte van elkaar. We houden één gele band ov er, omdat de uiteinden van de bovenste gele strook aan die van de onderste zijn geplakt. De band is twee keer zo lang als de beginstrook. Hij zit over de gehele lengte vast aan een rode band. De tweede knip scheidt de rode van de gele band. We hebben dan een volledig rode en een volledig gele band. Elke band heeft de dikte van een beginstrook en is twee keer zo lang. Lastig? Ga gewoon even zelf knippen, plakken en weer knippen.

B, vijftig procent. We nemen 100 deelnemers, daarvan zijn 10 gebruikers en 90 schoon. Van de 10 gebruikers zal de test er 9 terecht als gebruiker aanwijzen en 1 ten onrechte als schoon. En van de 90 schone deelnemers zullen er 81 terecht als schoon worden bestempeld en 9 ten onrechte als gebruiker. In totaal slaat de test dus 18 keer alarm. Ofwel, het lijkt of 18 deelnemers pep-positief zijn. Van die groep hebben 9 deelnemers daadwerkelijk gebruikt. Dus de kans dat een volgens de test pep-positieve daadwerkelijk het pepmiddel heeft gebruikt, is vijftig procent.