1. Sarah gaat in de vakantie kamperen in een heuvelachtig gebied. Hieronder zie je een hoogtekaart van dit gebied. De hoogten zijn aangegeven in meters. De camping bevindt zich in punt C op de hoogtekaart.
a. Kan deze camping op een hoogte van 460 meter liggen? Licht je antwoord toe.
b. Waar is het gedeelte waarin het hoogste punt van het gebied ligt.
c. Het witte huisje, rechts op de kaart, is een trekkershut. Sarah staat in punt A. Kan Sarah de trekkershut zien? Licht je antwoord toe.
d. In de bergen daalt de temperatuur bij elke 100 meter stijgen met 0,4 graden. Sarah die nog steeds in punt A staat, gaat naar punt Z lopen. Met hoeveel graden zal de temperatuur stijgen of dalen?
e. Martijn die in punt P staat heeft een horloge met ingebouwde thermometer die 18,9 graden aangeeft. Hij loopt naar punt Q. Wat is de temperatuur in punt Q?